De
huid
van
de
mens
is van top tot teen bedekt met haren, met uitzondering van de
handpalmen en voetzolen. Bij de mens is er geen sprake van een
gelijkmatige verdeling van de haargroei zoals bij de meeste zoogdieren.
Bij de mens zijn de dikkere en zichtbare haren vooral aanwezig op het
hoofd, in het gezicht (bij mannen), in de oksels en in de schaamstreek.
De haargroei van de mens is afhankelijk van leeftijd, erfelijkheid, ras
en hormonale factoren. Haren
worden aangemaakt in de haarzakjes (haarfollikels). Het
aantal haarfollikels op de hoofdhuid ligt rond de 100.000. Dit is voor
elk individu anders en genetisch bepaald. Zo hebben bijvoorbeeld blonde
mensen meer haarzakjes
op de hoofdhuid dan mensen met rossige of zwarte haren.
De haargroeicyclus
De haargroei is een ritmisch proces en loopt verschillende stadia door:
Bij
de
meeste
zoogdieren
verlopen
deze fasen synchroon met elkaar: wanneer de
haren uitvallen in de telogene fase gebeurt dit ineens en dat staat
bekend als ‘de rui’ of ‘verharen’. Bij de mens lopen deze fasen door
elkaar: er is een evenwicht tussen het aantal haren dat in de groeifase
is en dat in de rustfase terecht komt. De haardichtheid blijft bij de
mens dus (vrijwel) constant.
De groeifase
van het hoofdhaar duurt gemiddeld 3 jaar. Bij vrouwen duurt de
groeifase van elke hoofdhaar langer dan bij mannen. In de loop van het
laatste groei-jaar neemt de celdeling langzaam af en wordt de basis van
de haar steeds dunner. Dan breekt de overgangsfase aan waarin de groei
volledig stopt en de haar minder stevig in het haarzakje verankerd zit.
In de rustfase die daarop volgt zal de haar uitvallen. Na enkele
maanden komt het haarzakje weer tot ontwikkeling en wordt een nieuwe
haar geproduceerd.
Haargroei
gedurende het leven
Vóór
de geboorte
Tijdens de ontwikkeling van de mens in de baarmoeder worden alle
haarfollikels, waaruit later de haren groeien, al aangelegd. In deze
periode vóór de geboorte produceren alle haarfollikels
aanvankelijk één soort haar: lanugohaar. Deze wollige
haren worden voor de geboorte al afgestoten. Deze lanugoharen worden
dan vervangen door vellusharen, niet-gepigmenteerde haren van enkele
millimeters lang die over de gehele huid voorkomen (met uitzondering
van de handpalmen en voetzolen). Alleen op het hoofd, de wenkbrauwen en
de wimpers ontstaan steviger haren: de terminale haren. Deze kunnen
wél gepigmenteerd zijn.
Vóór
de puberteit
De verspreiding van de beharing is vóór de puberteit bij
jongens en meisjes gelijk: terminale haren op het hoofd, wenkbrauwen en
wimpers. De rest van de huid is met vellusharen bedekt.
In- en na de
puberteit
In de puberteit verandert een deel van de vellusharen in terminale
haren. Dit proces is bij de man meer uitgesproken dan bij de vrouw. De
verandering is vooral aanwezig in het gelaat (bij de man) de oksels, de
borst, de buik en het schaamgebied. Ook aan de armen en benen ontstaan
terminale haren: bij de man veel meer en vaker dan bij de vrouw, maar
dit is ook afhankelijk van ras.
Op gevorderde
leeftijd
Bij het ouder worden (voorbij het 60e levensjaar) verandert de beharing
opnieuw. Terminale haren kunnen devalueren tot vellusharen. Daarnaast
treedt ook een verlies aan pigmentatie op.
De functie van het haar
In de evolutie is de mens veel haar ‘verloren’. Slechts een beperkt
deel van de haren bij de mens heeft nog een duidelijke functie. Te
denken valt aan de wimpers en de wenkbrauwen (bescherming van de ogen
tegen stof en transpiratievocht).Tegenwoordig is het vooral de sociale
functie die beharing heeft die in de belangstelling staat. In alle
culturen is het hebben van gezond, weelderig hoofdhaar een voordeel in
intermenselijk contact. Aan de andere kant wordt te veel haar op andere delen van het lichaam dan de
kruin niet gewaardeerd. Te denken valt aan beharing in het gelaat bij
dames, okselhaar, of donkere beharing aan armen en benen. Er is een
hele industrie ontstaan rond het verwijderen van ongewenst haar.
Overigens is overbeharing eenvoudiger te ‘behandelen’dan een tekort aan
haar…
Haarverlies
Omdat het hebben van gezond haar zo belangrijk wordt gevonden is een
afwijking aan het ideaalbeeld van ‘een volle bos haar’ niet zelden een
belasting voor veel mensen. Mensen die worden geconfronteerd met
haaruitval zullen dan ook in veel gevallen in een vroeg stadium
medische hulp zoeken. Ook wanneer het haarverlies niet het gevolg is
van een haarziekte maar bijvoorbeeld erfelijk van karakter is blijkt
het voor veel mensen moeilijk om zich bij deze situatie neer te leggen.
Over haarverlies is een aparte folder
verschenen.